Terug Terug

Wie zit er op mijn boek te wachten?

Deze vraag krijg ik vaak van auteurs. Of nee, eigenlijk vooral van mensen die de droom hebben om ooit een boek te schrijven, maar nog niet begonnen zijn. Lang heb ik geen goed antwoord gehad op die vraag. Ja, ik riep wel wat over de beoogde doelgroep, de behoeften die de doelgroep heeft en hoe een boek daarin zou voorzien. Maar ik voelde aan mijn water dat ik daarmee niet de kern van de vraag raakte. Nu realiseer ik mij dat dit komt omdat ikzelf lang met soortgelijke vragen heb geworsteld. Maar sinds een jaar of twee heb ik voor mijzelf een oplossing: ik vraag het even aan Anouk. Dit moet ik waarschijnlijk even uitleggen.

Op de basisschool waren alle meisjes uit mijn klas verliefd op John Travolta. Ik vond dat als kind een beetje raar. Als puber prikte ik wel een Doe Maar-button op mijn jasje, maar flauwvallen als ik Hennie Vrienten zag, dat vond ik behoorlijk belachelijk. Nee, het fan-zijn is nooit aan mij besteed geweest. Tot ik zag hoe Anouk een paar jaar geleden stelling nam in de Zwarte Pietendiscussie. Ik zag hoe zij haar mening gaf, scheldtirades over zich heen kreeg, doodsbedreigingen ontving en gewoon bij haar standpunt bleef. En vanaf dat moment was ik fan. Wat ik aan Anouk bewonder is de manier waarop zij bij zichzelf blijft en van daaruit omgaat met de buitenwereld. Wordt zij op Pinkpop gekogeld met rotte eieren, dan trekt ze haar T-shirt uit en geeft in BH een geweldig optreden. Tijdens collegetour laat zij zoveel kwetsbaarheid zien, dat Twan Huys van instant-verliefdheid zijn rol van neutrale interviewer laat varen. Haar keuze om mee te doen aan het Songfestival maakte een treurig evenement weer hip en populair. En tijdens haar laatste concert in HMH legde zij het concert stil om mensen te vragen om wat minder te praten ‘voor de mensen die wél voor de muziek komen’.

Als ik het goed inschat, is het niet zo dat Anouk nooit twijfelt, bang of onzeker is. Het is eerder zo dat zij besluit dat wat zij wil zeggen, zingen of doen belangrijker is dan die twijfels, onzekerheid of angst. En sinds ik dat weet, vraag ik mij bij twijfel af wat Anouk in die situatie zou doen. Dat werkt, echt. En om antwoord te geven op de vraag ‘Wie zit op mijn boek te wachten?’: ik kan mij niet voorstellen dat Anouk zich ooit afvraagt wie er op haar liedjes zit te wachten. Wel vraagt zij zich af of het liedje zegt wat zij zeggen wil en of zij het zélf goed genoeg vindt. En als daarna blijkt dat mensen er niet op zitten te wachten, dan is dat vooral hún zaak.

Ik wens alle schrijvers, schilders, dichters, architecten, ondernemers en alle anderen die iets in de wereld willen zetten een hele goede relatie met hun innerlijke Anouk toe.

Stella de Jager
uitgever